Egmont

Egmont

Egmont and the ff-boom

Door  Daniel Schell

(vrije Nederlandse vertaling door Jef Van Staeyen)

 

1. Omtrent een geschonden zelfzekerheid

Levendig herinner ik me nog hoe we in de lente van 75 de besneeuwde bergtoppen van Aragon verlieten om naar het warme Valencia af te dalen. Daar gingen we in een triomfantelijk festival de Spaanse rondreis van mijn groep COS besluiten. Moe waren we, en blij, na zo'n twintig concerten in het noorden van Spanje, van Bilbao tot Barcelona. De uitputtende reizen en de talrijke problemen en probleempjes die zo'n onderneming met zich meebrengt hadden ons diep geloof niet kunnen aantasten in een muzikaal Europeeër-zijn, waarvan we ons de geestdriftige zendelingen achtten.

Dat triomfantelijk concert van ons – ja, waarde lezer : triomfantelijk, ik zeg het nog eens – werd echter gevolgd door een blijkbaar onschuldig voorval, een voorval dat me diep getekend heeft.

U herinnert zich zeker, beste lezer, hoe de uitzonderlijk begaafde flamenco-gitarist Paco de Lucia in maart 75 met zijn "Entra dos aguas" in gans Catalonië succes oogstte. "Entra dos aguas", zo meenden we, dat was het ware Spanje. We plaatsten het op ons repertoire, wat een aandachtige radio-man niet ontging, die me, na dat triomfantelijke optreden, beneden het podium opwachtte.

Omdat hij me vroeg naar de redenen die ons bewogen hadden tot het interpreteren van "Entra dos aguas", zei ik hem, met een onschuldige ijdelheid die me dra spijten zou : "Wij spelen tenminste de echte Spaanse muziek !"

"Waarom speelt U dan niet de echte muziek der Nederlanden ?" diende de man me terstond van antwoord.

Die vraag, waarde lezer, was me als een slag in het gelaat. Het bloed klopte in mijn slapen, en onder mijn voeten zonk de grond weg. Een maalstroom van angst greep me mee. En tussen de klippen, waarop de vloedgolf beukte van de hit-parade, verscheen een brullende leeuw op een driekleurig veld, zijn kreten door orkanen overstemd.

Toen, na lange tijd, de storm luwde, en mijn gebroken lijf op het strand werd aangespoeld, kon ik eindelijk mijn ogen weer openen, en trachtte ik mijn gedachten te ordenen. Vrolijk lachende journalisten stonden om me heen. Nu besefte ik, beste lezer, hoe ik me voor de ogen van vele duizenden Spaanse toeschouwers grenzeloos belachelijk had gemaakt.

Die avond nog verliet ik Spanje, met stille trom. En ik zwoer, al was het te laat, dat zoiets mij nooit meer gebeuren zou. In Brussel, na mijn terugkeer, zou ik me wijden aan de Nederlandse muziek, krachtig en hartstochtelijk, en rusteloos.

 

2. Omtrent de Nederlanden

In atlassen en geschiedenisboeken wijzen data en grenzen duidelijk aan tot waar en wanneer, en wat de Nederlanden zijn. Althans, beste lezer, zo lijkt het toch. Van Amsterdam tot Arras en van Keulen tot Diksmuide zijn de Nederlanden immers één land, waarvoor grenzen toevallige lijnen zijn, getrokken om gebiedshongerige koningen en veldheren een tijdlang in toom te houden.

Want talrijk waren ze, de na-ijverige en begerige bezetters, van Julius C. over Louis Q. tot Adolf H.; en dan vergeten we ei-zo-na de Spanjaarden, wier wandaden we later, edoch véél uitgebreider uit de doeken zullen doen. De wraak moet zoet zijn. We verlekkeren ons er al op, al wordt ook die soep niet zo heet gegeten als ze werd opgediend.

Maar hadden die vreemde heersers nog maar net de hielen gelicht, de twistzieke en ontevreden bewoners hervonden dra hun eigen oud en eindeloos gekrakeel. Culturele tegenstellingen, taaltwisten en religieuze oorlogen, huis-, tuin- en keukenruzies verdeelden hen. Een ongetemperde liefde voor het bier en de kunsten was zowat het enige dat hen bond.

Vlaanderen of de Zeventien Provinciën; de Nederlanden noem ik ze.

 

3. Om een briefje van twintig

Oostenrijk is trots op Mozart, Frankrijk roemt om Ravel en Debussy; Centraal Europa heeft Bartok en volksmuziek, en Amerika jazz. Maar wij ? Waar mogen wij dan mee pronken ?

Een oud biljet van twintig frank bracht me het antwoord. Ik vond het op de zolder van mijn ouders, toen ik er een zware koffer versleepte.

"Door inflatie en devaluatie verteerd", denkt U wellicht, waarde lezer, bij zo'n briefje uit de jaren vijftig. Het was echter niet de waarde van het geld die telde, maar de beeltenissen die het droeg : het waren Orlandus Lassus en Filips de Monte.

Dat briefje van twintig zette me op het spoor. Lassus en De Monte vertegenwoordigden een grootse tijd, die van een thans vergeten Polyfonische muziek uit de Nederlanden.

Van toen af verdiepte ik me in studie en onderzoek, bezocht conservatoria, musea en bibliotheken, verslond boeken over geschiedenis en muziek, speurde naar nog bestaande volkswijsjes en door kruiste Europa en Vlaanderen, jazelfs Amerika.

 

4. Over muzikale roem

Vierhonderd jaren geleden werd Europa geregeerd door een van aambeien geplaagde Keizer Karel, die zijn zoon Filips het bewind toevertrouwde. Met religieuze terreur heerste de duivelse Filips over een kleine wereld van vlijtige en naarstige ambachtslieden, die werkten voor de weelde van hun tijd. Met zijn gezant, de laaghartige hertog van Alva, en vijftienduizend huurlingen plunderde hij de Nederlanden. De vrouwen werden er verkracht, de meest heilige instellingen onteerd.

Dat blinde schrikbewind was echter niet doof voor de kleur van de Nederlandse muziek. Zelfs Filips, nota bene in een brief waarin hij onze losbandigheid hekelde, drong aan op de spoedige zending van acht jonge Vlaamse zangers. Ze moesten in het verre Spanje laten horen wat zingen wel was !

Nederlandse musici zwermden uit over Europa, leidden er muziekkapellen, onderwezen er hun leer, en begeesterden er koning en knecht. Ze heetten Ockegem, Obrecht, Dufay, Willaert, Josquin, Lassus of Monte, om slechts de allergrootsten, de beroemdste te noemen.

Wellicht meent de waarde lezer dat die op muzikaal vlak zo roemruchte tijd in de Nederlanden juist het gevolg was van de Spaanse overheersing. Hij denkt daarbij dat er een algemene tendens in de cultuurgeschiedenis bestaat die van Oost naar West en van Zuid naar Noord vloeit, en acht die Spanjaarden met hun gitaren dragers van de muziek. Hij vergist zich.

Misschien hadden ze wel gitaren bij zich, primitieve instrumenten, bij de Arabieren ontleend. Het doet er weinig toe. De muziekwetenschap zelve is het resultaat van de inbreng van Nederlandse musici. Hun namen zijn gekend.

De waarde lezer zal bovendien niet vergeten dat die roemruchte periode ook de tijd was waarin naar de steen der wijzen werd gezocht, of naar de kwadratuur van de cirkel, en wat al meer. Aan die manier van denken waren ook de musici niet vreemd. Ze schepten er een duivels genoegen in tot dertig-stemmige polyfonieën in elkaar te knutselen, waarbij de schoonheid van elke stem primeerde op het geheel. Voorwaar een verrassende belevenis.

Zo ontdekte ik, nederige muzikant uit de Lage Landen, de wortels voor mijn muziek. Ik vond mijn meesters. Al wat ik nog zocht was een thema.

 

5.            Over EGMONT, tot held geroepen

"Egmont, verblind door vaderlandsliefde, stierf op het schavot om de rechten te verdedigen van de ongelukkige Vlamingen, door hun koning onderdrukt."

VOLTAIRE

Wie ook maar enigszins vertrouwd is met de beschreven periode uit de geschiedenis der Nederlanden weet zeker wie Egmont was, de bizarre heer van Gaasbeek.

"Een edelmoedig martelaar" zullen sommigen zeggen, al vinden anderen hem de halfzachte held van een goedkoop melodrama. Mij boeit hij alleszins. En ik ben niet alleen. Het goed gezelschap telt dichters en beeldhouwers, schrijvers en componisten. Goethe en Schiller, Voltaire en Peter Ecrevisse : ze vereeuwigden hem in drama's, tragedies, biografieën of romans. Ludwig van Beethoven, zoals iedereen wel weet, maar ook Gregoire, Gervais Gaston Salvayre en Dell Orefice, ze eerden hem in hun muziek. Een me onbekende beeldhouwer zette hem, met zijn onfortuinlijke maat Hoorn (die, God weet waarom, geen kunstenaars bezielen kon) in 1859 op de Brusselse Zavel.

In opdracht van de hertog van Alva op 9 juni 1568 op de Brusselse Grote Markt onthoofd, blijft Egmont voor allen een onsterfelijke held. Hij vertegenwoordigt ook de andere vijftienduizend terechtgestelde geuzen, wier namen we allang vergeten zijn, maar die allen gemeen hadden dat ze Filips' religieuze denkbeelden geenszins deelden.

Helden kiezen hun lot niet zelf. En Egmont, die zich weliswaar een voorbeeldig martelaar toonde, was vóór alles een uitstekend beroepsofficier, die de rotte pech had betrokken te worden in de strijd tussen twee grote figuren van zijn tijd : de twijfelachtige Filips de Tweede, veel te jong omhoog gevallen tot koning van het onmetelijke Spaanse wereldrijk, hem door zijn vader toevertrouwd, en zich geroepen wanend het katholicisme te redden, en Willem van Oranje, leider der geuzen en verdediger van de Nederlanders en van hun vrijheidszin. In die strijd meende Egmont even de hoofdvogel af te kunnen schieten… hij miste.

Zesenveertig jaren vóór deze tragische gebeurtenissen geboren, had de heer van Gaasbeek het getal 11 moeten wantrouwen. In 1522 (22=2*11) ter wereld gekomen, was hij elf (11) in 1533, huwde hij op 5 april 1544 (44=4*11), dag op dag 400 jaren vóór mijn geboorte, op 22-jarige leeftijd met Sabina van Beieren, die hem elf kinderen schonk (al zeggen sommigen twaalf, wat mijn betoog niet schikt), beleefde hij enige spannende moment bij de beeldenstorm van 1566 en stierf hij om 11 's morgens, zij het niet in 1577 (zoals hij wellicht gehoopt had).

 

6. En over de plaat

 

UD

Om deze titel te vinden heb ik me echt niet moe gemaakt !

De ud is een instrument van Arabische oorsprong (in Egypte nog steeds bespeeld). Het lijkt op een luit, waarvan het trouwens de voorloper is.Het heeft een peervormig lijf en een korte hals zonder grepen. De vijf dubbele snaren, die de muzikant naar eigen smaak stemt, worden met een veer bespeeld.

Toen de moslims in de loop van de geschiedenis Spanje veroverden, brachten de kaliefen in hun bagage niet enkel hun ud-spelers mee – de duizenden rockers wezen hen dankbaar – maar ook hun muziek. Vermengd met die uit het Noorden kwam daar flamenco uit voort.

PIUME AL VENTO

Van de muziek van de grote meesters hebben we talrijke geschreven bronnen, maar van volksmuziek hebben we bijna niets. Kenners van volksmuziek weten ook hoe een traditioneel volksliedje, in een of ander dorp opgenomen, het jaar nadien al anders klinken kan, gewoon onder invloed van een succesnummer. Wat kan er dan niet allemaal veranderen in een tijdspanne van eeuwen ? Toch vinden we in dorpen soms ook melodieën waarvan we zeker weten dat ze heel oud zijn, omdat hun muzikale vorm getuigt van een verre geschiedenis. De melodie van dit lied heb ik van de mensen van Alfa, en ik vind ze wat Hongaars klinkend. Daarom gaf ik ze een Kozakken-arrangement, en een Itialiaanse tekst van Roberto Savini ; dat is wat operette-achtig.

Het feest is volop bezig. De dansers zijn vrolijk. De muziek versnelt, en nog, en nog… tot het podium in elkaar stuikt en de zangers en dansers in het stof bijten…

NELE

De gelukkige schelm Thijl Uijlenspiegel doet me denken aan de minder fortuinlijke Egmont en aan helden in het algemeen. En is er iemand die meer op Thijl lijkt dan Dick Annegarn ?

SABINA

Als er één personnage is dat ik u, waarde lezer, beter zou willen voorstellen, dan is het wel CLEMENS NON PAPA. Geboren in Ieper in 1510, en omstreeks 1556 in Diksmuide een gewelddadige dood gestorven (al heb ik nooit kunnen achterhalen hoe dan wel), is deze raadselachtige priester en tijdgenoot van Egmont míjn lievelingskomponist. Hij heeft een onuitputtelijke romantische en lyrische geestdrift ; hij heeft gevoel voor sfeer en een uitgesproken smaak voor muzikale vernieuwing, tot het bizarre toe.

Hoe raadselachtig ook hij wel mag zijn (en we zien weldra waarom), was hij toch de meest honkvaste van al zijn tijdgenoten komponisten, aarzelend om verder te gaan dan tot in Beaumont, waar hij in 1549 voor Filips van Croÿ werkte, of in 's Hertogenbosch, waar men hem omstreeks 1550 horen kon, of in één of andere Duitse muziekkapel van Keizer Ferdinand.

Clemens werd eerst bekend omwille van zijn populaire liedjes. Maria van Hongarije (Keizer Karels zus), omstreeks 1540 ook gouvernante van de Nederlanden, achtte de toenmalige "hit-parade" beneden alle peil. Op basis van enkele psalmen zorgde Clemens voor welluidender "souterliedekens".

Daarbij moet men bedenken dat toenmalige burgers niet zomaar "vertrouwelijk" konden omgaan met de vertegenwoordigers van de macht (zoals dat vandaag wel kan, bijvoorbeld bij een woordenwisseling met een politie-agent). Om een "ja" of een "nee",of zelfs om een "misschien" liep men het risico een kopje kleiner te worden gemaakt, of te mogen braden op een boeterooster.

De hoogste eer die een komponist kon toekomen was een gelegenheidsmis te mogen schrijven. Daarvoor mocht hij zelf de beste musici kiezen, en rekenen op een talrijk en (noodzakelijkerwijs) aandachtig publiek (en zelfs een mooie som geld). Maar let wel ! De geringste vernieuwing of het kleinste woord verkeerd kon in dat behoudsgezinde midden, door godsdienstoorlogen verbitterd, de grootste verdoemenis veroorzaken, een veroordeling die ik niemand toewensen zou. Een werelds of oneerbiedig woord verbergen in een versluierde stem van een motet, dissonante stemmen in het chromatisme verhullen… dat was het gevaarlijke lievelingsspel geworden van naar vernieuwing hunkerende komponisten. Een geheime kunst die zich, net als de alchimie, in de schaduw van kerken ontwikkelde.

In het motet "SABINA" heb ik Clemens' muziek intergraal overgenomen : "Rachel non plorans". Bij een motet worden verschillende "woorden" gelijktijdig gezongen, een effekt dat ik heb willen versterken. Ik heb de tekst dan ook in acht talen omgezet, zonder de oorspronkelijke cascade-indruk geweld aan te doen.

Omdat ik de hedendaagse, nogal zielloze uitvoering van de liederen uit die tijd verafschuw, heb ik voor de zang een beroep gedaan op Pascale Son en Dirk Bogart. Ze zijn veeleer gewend rock te brengen, en worden voor het eerst met deze muziek gekonfronteerd. Na de eerste twee delen van het motet worden de voornaamste tema's verder uitgewerkt op een wat bijzondere gitaar. Ik heb ze, met zin voor hoogdravende woorden, polyfonisch genoemd. Ze heeft acht snaren, waarvan de eerste drie dubbel zijn, en ook holle grepen.

LA BALLADE DU ZWIN (DE BALLADE VAN HET ZWIN)

Dit stuk werd in 76 opgenomen. Het maakt deel uit van de muziek voor de film die Alexandre Halot en Jean van Raemdonck over Vlaanderen realiseerden. Ik nam de gelegenheid te baat me met geïnspireerde musici te omringen. De geïmproviseerde solo van Pavel Haza verraadt op zijn manier de Hongaarse kijk op Vlaanderen.

GEUZENLIED

De tekst van dit volksliedje moet kort na Egmonts dood geschreven zijn. Hij is Vlaams en herinnert aan het huidige pajottenlandse dialekt.

Op de vijf strofen schreef ik een unieke melodie, naar de volksliedjes uit die tijd. Het refrein "Egmont is dood", dat in de oorspronkelijke tekst niet voorkomt, heb ik zelf toegevoegd.

De harmonisatie ervan leidt ons van 1568 voor de eerste strofe, langs 1750 voor de tweede, tot vandaag voor de vijfde, waar de elektrische gitaar de FF-Boom reeds aankondigt.

De lieflijke woorden en de grimmige taal van dit tragische lied weet Dick Annegarn op een heel eigenste manier te zingen. Als "Vliegende Hollander" herinnert hij ons aan de muzikale pelgrims van het polyfonische Europa.

UN INSTANT SOUS LA HACHE (EEN OGENBLIK ONDER DE BIJL)

Wie ooit, bij een ongeval, oog in oog heeft gestaan met de dood, weet hoe hij in enkele ogenblikken duizenden indrukken uit zijn leven heeft her-be-leefd.

Kan deze muziek de beelden begeleiden die Egmont zag, tussen het moment waarop hij zijn hoofd op het kussen lei en de val van de bijl ?

GRANVELLE

Omdat hij vond dat ik de meelijwekkende trekken van Egmont overdreven heb, heeft Dick Annegarn een tekst geschreven waarin hij hem als een sterk en opstandig strijder ziet, die de verwaande Granvelle durft weerstaan. Zijn enige bron van informatie was een vermelding van drie lijntjes in de "Robert". Heel de tekst kan bijgevolg als louter verzinsel beschouwd worden. Maar na aan meer gedegen biografieën getoetst te zijn geweest, bleek hij toch aannemelijk.

Granvelle, waarde lezer, is zo'n voorbeeld van een man, groot en goed, maar geplaagd door bovenmatige eerzucht. Als vertrouwensman – en stroman – van Karel en Filips, deed deze in Besançon geboren kardinaal wat aanvankelijk ook Egmont en Oranje deden : de Nederlanden besturen, kollaboreren met Spanje. Toen evenwel het uur der waarheid aanbrak, en toen Oranje voor de opstand koos, koos Granvelle voor Filips. Egmont, onze held, verkoos niet te kiezen. Het maakte allemaal weinig uit. Filips heeft hun koppen gehad, alledrie.

Op de hobo zal de luisteraar, weg als hij reeds is van de Vlaamse kontrapunt, voorzeker de melodie van "L'homme armé" herkennen, zoals die door vele komponisten van de Middeleeuwen tot de Barok bewerkt werd, en zoals die reeds in menige Europese badkamer geklonken heeft, in ogenblikken van zeldzame euforie.

CANCION FRANCESA

Dit motet van Clemens werd door zijn tijdgenoot, de Spaanse organist Antonio de Cabeçon (1510-1566) gearrangeerd, en door diens zoon Hernando in 1578 herschreven. De legende beweert ''Antonio de Cabeçon, musico de la Camerata y Capilla del Rey Don Philippe nuestro Señor". Hmmmm, alweer Filips ! In de tijd van de eerste opname van dit album (1976) had ik de bedoeling dit stuk voor polyfonische gitaar aan te passen. Maar ik slaagde er niet in het op dat instrument te spelen. Mijn zoeken naar een nieuw instrument bracht me bij Emmett Chapman, die ik in de jaren 80 in Californië ontmoette, en die mij een nieuwe techniek aanleerde, die hij zelf ontwikkeld had : de klap-gitaar. Toch duurde het tot 2001 voor ik het stuk eindelijk spelen kon.

TOUS LES OISEAUX (ALLE VOGELS)

Ook in 1976 had Dick de tekst meegebracht van het oudste gekende Nederlandse gedicht : "Hebba olla vogela nestas hagunan, hinase hic anda thu…" (1100 ?) en ook een ander gedicht van omstreeks 1400. (Tous les oiseaux ont fait leur nid, sauf toi et moi ?). Hij wilde dat we er een lied van maakten. Ik dacht eraan één van de stemmen van het motet "Cancion Francesa" (zie hoger) te gebruiken. Dus recycleerde Clemens pop-songs om motetten te schrijven, waarna Cabeçon ze voor het orgel herschreef, dan wij naar de klap-gitaar, en dan weer naar de popmuziek. Een hele belevenis ! In 1976 geschreven, maar voor uitvoering verboden door Dick-zijn-uitgever, beslisten we dat het in 2001 door een klassiek tenor gezongen moest worden. De toekomst lacht de tenor-pelgrim Patrick Van den Eede toe : een Vlaming in Marseille. "Allez les oiseaux !"

SANA ME DIE

We blijven "decycleren" en recycleren, net als in "Cancion francesa". Maar hier is het Wolfgang Daiss, de grote klap-gitaar speler uit Stuttgart.

MENTEUR DU PONT (LEUGENAAR OP DE BRUG)

En Aldo de Vernati, Italiaans bariton die in het Noorden is komen wonen en werken, interpreteert hem met de nodige humor, zoals de tekst ook vraagt. De melodie is een variatie op een van de thema's van "Sana me die", en de tekst inspireert zich op een kinderliedje uit de Nederlanden.

EIN KLEINER MAN

Het thema en zijn modale harmonisatie (hypo-aeoliaans, jazeker) zijn aangevat als een mars uit het Brabantse Wortel. Pascale Son vertolkt het in een vreemde taal die U wellicht herkent als een mengeling van Duits en Frans op twee verschillende klankniveau's : het resultaat van haar kunde en van die van Alain Pierre. De dichter Jurgen Hellweg zorgde voor de Duitse tekst.

THE FF BOOM

Door de lange heuvels van de Nederlanden zijn we getrokken, waarde lezer, en in de velden hebben we overnacht, door ruisende hagedoornen beschut.

Tot plots, aan de einder, het eerste ochtendgloren openbreekt. Op het ritme van een trage adem volgen stormen en onweders, opklaringen en wolken elkaar op. Bij het plotse vallen van de nacht wordt alles weer stil…

Copyright 2009 - Clic Music